*pompom*
Vroeger schreef ik vaak, ik vond dat ik er wel goed in was. Met onderstaande heb ik zelf nog meegedaan aan de kunstbende. Van dit verhaal bestaan er drie versies, ieder met een ander einde
Watch Me Fall
Ze bleef gefascineerd staren naar de dunne lijnen die ze op haar armen had getrokken. Langzaam vormden er zich rode bolletjes bovenop de lijnen en toen alsof en dam brak versmolten de kleine bolletjes zich tot een rode streep op haar arm. De strepen bleven zwellen, liepen tenslotte in elkaar en een dikke druppel bloed rolde van haar arm op het blad daaronder. Ze likte aan de snede. De smaak van bloed was zo helder. Ze wou dat heer gedachten ook zo helder waren. Toen boog ze zich terug over haar blad en nam haar pen. Haar zwierige geschrift vulde nog een pagina van haar dagboek. Pagina na pagina stonden dagen van haar leven neergeschreven. Regelmatige bloedvlekken sierden de pagina’s. ze haatte het om letterlijk “ik heb het weer gedaan” te schrijven. Het klonk alsof ze iets heel slecht had gedaan. Ze sloeg haar dagboek dicht en stond op. Even keek ze peinzend voor zich uit. Ze hadden het op school gemerkt dat ze zich sneed. Nu ja de leerlingen hadden het gemerkt. Een keer had een leraar haar gevraagd of ze soms aan automutilatie deed, maar daarmee bedoelde hij dat ze moest stoppen met krabben aan een muggenbeet. Oh ja leraars zijn blind en dat was maar goed ook, ze hoefde geen gezeik met leerling begeleiding of met mensen van het CLB. Ze vonden haar al raar genoeg in de klas. de meeste klasgenoten hadden haar afkeurend aangekeken toen Jonas dat luidop in de klas had gezegd. Een paar hadden zelf haar een aandachtstrekker genoemd en hadden haar uitgelachen. Ze stoorde hen zo al met haar zwart make-up, haar zwarte kleren, haar spikes en haar combats. Ze paste niet in hun perfecte plaatje van snob boy’s en girls. Ze verklaarden haar vast gek. Zoals in haar vorige school… en die daarvoor. Ze probeerde hen te begrijpen, tenslotte wisten ze niet beter dan dat. Ze schudde haar hoofd en liep naar haar PC. MSN opende zich automatisch toen ze zich op haar PC aanmeldde. Ze keek naar haar nickname: “Every reason is a right to hate [PAIN]”. Nee hij paste niet bij haar gevoelens, niet meer. Soms vlamde die oude haat terug op, maar niet vandaag. Ze was gewoon verward, depressief en ongelukkig, zoals meestal. Ze zuchtte. Geluk was iets van korte duur, iets intens. Heel even maar en dan weer weg. “Mirror, mirror on the wall, watch me bleed, watch me fall.”
Haar vingers roffelden over het toetsenbord. Tom was online. Ze glimlachte en voelde zich plots een stuk opgewekter.
Deze dag sucked. Nog meer dan alle andere. Ze voelde zich hopeloos en verward. De grond zakte onder haar voeten weg en de steile wand die ze aan het beklimmen was bood geen enkele houvast meer. Haar hoofd zat vol gevoelens die ze amper begreep. Alles was slecht. Haar gedachten waren zwart-wit. Ze kende enkel nog maar uitersten. Ze hield het niet uit, ze haatte zichzelf. Alles wat misging met haar leven was haar eigen fout. Ze voelde zich machteloos tegenover de haat die ze voor zichzelf voelde.ze kon het niet meer aan, ze moést zichzelf straffen. Ze taste naar de zijzak van haar rugzak, haar vingers sloten zich om haar glasscherf.
Even later deed ze haar lange zwartleren jas aan en stapte naar buiten. Ze vond de bende in het park, languit onderuit gezakt op het gras. Hier was ze welkom, haar aanvaarden ze haar, hier waren ze zoals zij. Ze zette zich neer en kreeg onmiddellijk een fles drank aangeboden…
Fuif. Tom zou gaan, hij had het beloofd. Ze trok haar netkousen aan, haar zwart plooirokje, haar laarzen, haar T-shirt met gaas en de angel of roses op en tenslotte trok ze een paar mouwen van gaas aan. Haar zwartgeverfde haar viel iets langer dan haar schouders en haar gezicht was met zwarte make-up opgemaakt. Ze bekeek zichzelf in de spiegel. Ze vond dat ze er goed uitzag. De mouwen verbergden de lidtekens op haar armen.
Het was 11 uur toen ze op die fuif toekwamen, zij en een vriendin. Ze liep met haar vriendin naar het hoekje waar het grootste gedeelte van de bende stond. Buiten de bende waren er nog heel wat goths, maar ook gewone jongeren die af en toe benauwd in hun richting keken.
Ze lachte en zette de fles drank weer aan haar lippen. Haar hoofd draaide en dat terwijl ze gewoon neer zat. Plots voelde ze een arm om haar middel. Ze keek achterom. Tom. Een warm gevoel overspoelde haar, hij was toch gekomen.
Ze nam opnieuw een fles met drank aan, ze wist niet meer hoeveel ze al gedronken had, ze wist zelf niet of dat nog altijd dezelfde fles was of niet. Plots stelde Tom zich recht. Hij trok haar mee. Ze volgde hem gedwee het huis door, de trap op. Boven duwde hij haar zacht tegen een muur en kuste haar op haar gezicht, haar mond, in haar nek. Toen trok hij haar een kamer binnen. Zijn hand gleed onder haar T-shirt en gleed toen naar omlaag.ze liet hem verward doen. Ze voelde zijn hand in haar onderbroek glijden en besefte plots waar hij op uit was. Ze haalde zijn hand uit haar broek en toen hij haar opnieuw probeerde te kussen duwde ze hem weg. Woedend keek hij haar aan en gaf haar een duw.
Even later stond ze weer bij de bende. Ze liet de fles met drank die ze haar aangegeven hadden niet meer los.
Ze zat neer in de badkamer. Niet haar badkamer, nee ze was nog altijd op die fuif. Het laatste halfuur had ze kotsend in deze badkamer doorgebracht. Nu huilde ze. Ze huilde omdat ze misselijk was, om Tom, om deze gans kutwereld…
Ze hoorde de deur open gaan en ze probeerde nog ga weg te zeggen, maar haar stem bracht geen geluid voort. “gaat het wel?” vroeg een stem. Ze knikte, wat kon ze anders? Ze kon toch niet aan een wildvreemde haar verhaal vertellen? Haar verhaal, ze grinnikte, alsof haar verhaal iets voorstelde. Wat maakte het ook uit?
De persoon kwam dichterbij. Ze zag er wellicht niet erg gezond uit. plots kreeg ze het kou. Zo koud. De kilte drong in haar botten en onbewust begon ze te klappertanden. De persoon keek haar nu nog bezorgd aan. Ze besefte dat haar blik niet erg duidelijk was en concentreerde zich. Het was een jongen, een jaar of zeventien, geen goth. Hij stond op, deed zijn trui uit en legde hem om haar heen. Toen liep hij naar de lavabo en maakte een handdoek vochtig. Hij wreef haar gezicht proper en hielp haar recht. Toen gaf hij haar een beker met water.
Even later keek ze hem aan. Ze wou hem bedankt zeggen maar kreeg geen woord over haar lippen. “wat is er gebeurd?” vroeg hij. Ze keek hem vragend aan. “ik zag je met die jongen naar boven gaan en even later kwamen jullie terug. Hij leek woedend.” Ze knikte “en toen ging je weer naar boven en je bleef maar weg, dus kwam ik eens kijken.” Ze keek hem aan en voelde de woede in haar opborrelen. “Waar bemoei je je eigelijk mee? Je weet niets van me! Ik hoef jouw medelijden niet ik maak het alle dagen mee, ze verklaren me gek en roddelen achter mijn rug. Oh, ze vinden me raar en snappen me niet maar moeten ze daarom zulke dingen vertellen? Mensen zoals ik vangen elkaar op, mensen zoals jij lachen ons gewoon uit. De jongen knikte. Dat was niet de reactie die ze verwacht had.
Haar hoofd draaide ze zakte door haar benen. Ze leunde nu met haar rug tegen het bad en plots hield ze het niet meer uit, ze verlangde naar een stuk glas, naar het rituele van snijden, altijd maar opnieuw. Het was zoals Anne had gezegd, je sneed oom lichamelijke pijn te voelen die de geestelijke kon verdringen. Van die pijn was je zeker dat hij overging. Anne… ze zou er veel voor over hebben om haar terug te zien, maar dat kon niet, ze had de eenvoudigste weg gekozen en die was geëindigd onder een trein. Ze had het krantenartikel gelezen. Het ging niet over de dood van haar vriendin of over de pijn die ze haar ouders en vrienden aandeed, zelf niet over de reden waarom ze zelfmoord had gepleegd, nee het ging over de vertraging die de reizigers opliepen. Over de mensen die hun vliegtuig naar een warm vakantie oord misten.
Ze begon te praten, eerst hortend en met lange tussenpozen en later vloeiend, alsof ze dit alle dagen vertelde. De jongen luisterde en onderbrak haar niet. Hij had zijn arm om haar heengeslagen en troostte haar alleen al door het luisterend oor te zijn waar ze iedere dag om vroeg. Niemand had haar boodschap tot nu toe begrepen en nu zat ze hier, dronken, haar verhaal te vertellen aan een wildvreemde jongen, die zo anders was dan zij. Zo anders… maakte uitzicht dan zoveel uit?
Ze had de jongen niet kunnen bedanken omdat Veerle naar boven was gekomen en die had de jongen schreeuwend weggetrokken. Ze had alles laten gebeuren omdat ze de kracht niet had gevonden om haar vriendin uit te leggen dat niet die jongen de schuld van haar verdriet was. Maar Veerle had wellicht alleen maar de tranen op haar gezicht gezien en had verkeerd geoordeeld. Ze vond het maar niks, dat ze de jongen en geen excuses had aangeboden, ze was gewoon met haar vriendin dat kamer uitgewandeld.
Het weer was omgeslagen van een lekker warm september zonnetje naar de druilerige regen van oktober en daarbij was de temperatuur erg gezakt. Ze liep met Veerle een café binnen. Een warme wolk rook walmde naar buiten toen ze de deur opende. “Kijk,” zei Veerle “de bende zit daar.” Ze liep haar vriendin achterna. Even stond ze stil. Veerle merkte het op en keek zoekend rond. Toen vond ze de jongen ook. Ze stapten door.
Na een tijdje hield ze het niet meer uit, ze stond op. “Waar ga jij naartoe?” vroeg Veerle haar verbaasd. Ze liep door en negeerde haar vriendin. De gure wind blies haar haar in haar gezicht. Ze liep door naar het park. Wat had ze toch in godsnaam? Ze zette zich neer op een bank. Haar ogen gleden over de namen die erin gekrast waren. Krassen… ze taste naar de glasscherf in haar zak. Langzaam gleed het glas over haar arm. Bloed stroomde langzaam uit de sneden. Ze kraste harder, dieper. Haar haat ebde niet weg. Waarom?
Ze begreep zichzelf niet meer. Ze dacht aan Annelies. Ze had zelfmoord altijd vluchten gevonden, maar nu… ze wist het allemaal niet meer. Was zelfmoord wel of niet een opwelling? Ze zuchtte opnieuw, ze lette niet op het bloed dat van haar arm liep of op de voorbijhangers die haar aanstaarden. Ze voelde zich weer rustig worden.
Ze slikte de pillen in en ging zitten. Beneden lag er een brief op tafel al was ze hen geen uitleg verschuldigd. Ze wachtte en voelde zich duizelig worden, het werd zwart voor haar ogen en ze viel.
Ze was al dood voor ze de grond raakte.